* Redactioneel van nationaal voorzitter Paul Becue


* Wat doet Corona met onze taal? prof.dr. Godelieve Laureys


* Overwinnen we ooit het Coronavirus? Univ. Vlaanderen

 


* Covid19 en de Spaanse griep: een vergelijking.


* Coronashock, het boek van Johan Aelbrecht met recensie van Paul Becue



* Steun voor verenigingsleven in Coronatijden in KBC Economische Opinies











 







 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 




 




 



 


 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
   
 

Vivat Academia nummer 21
november 2020

   
   
  Redactioneel ---
 

 

Redactioneel van de voorzitter

 

Laat ons allen goed door de Covid-crisis komen

Beste allemaal,

Het is nu al 8 maanden dat het virus Covid-19 ons in de greep houdt.  Dit heeft een grote impact op het verenigingsleven, zoals beschreven wordt in een studie van KBC-bank, verder in deze Vivat. Ook de VVA bleef niet gespaard: de Algemene Ledendag van eind maart te Brussel werd geannuleerd en alle afdelingen werden gedwongen hun tot de zomer geprogrammeerde activiteiten te annuleren.


Het verdient bewondering en respect dat alle besturen van de diverse afdelingen de moed niet in hun schoenen lieten zakken en bereid waren een nieuw programma te lanceren voor het nieuwe academiejaar. Dit gebeurde wel met de nodige restricties, zoals een beperking van het aantal aanwezigen. De eerste activiteiten trokken alvast veel volk aan, hetgeen erop wees dat onze leden werkelijk snakten naar sociale contacten in deze barre tijden.

Het was dan ook een donderslag bij heldere hemel toen eind oktober een nieuwe lockdown-periode van wal stak.  Alle VVA-activiteiten werden opnieuw gestaakt. Waarschijnlijk zullen we zeker tot begin januari moeten wachten om het sociaal leven weer te zien herleven. De Algemene Ledendag te Brussel, ons jaarlijks hoogfeest, is alvast uitgesteld tot zaterdag 16 oktober 2021.

Een troost: als we mogen afgaan op de evolutie van de Spaanse griep 100 jaar geleden (zie verder in deze Vivat het artikel uit de De Standaard), dan zitten we waarschijnlijk ergens halverwege deze pandemie. Dit wordt nog versterkt door het feit dat vanaf maart 2021 het vaccin tegen het virus hoogstwaarschijnlijk beschikbaar zal zijn. Er is dus licht aan het einde van de tunnel, maar eerst zullen we de wintermaanden moeten doorkomen. Daarom is het belangrijk met elkaar contact te blijven onderhouden, ook al is het digitaal.

In deze context is communicatie belangrijk en daar willen we iets aan doen met de VVA.  Binnen het nieuwe Hoofdbestuur steken we op initiatief van Michel Vanbuul van wal met een nieuwe werkgroep communicatie.  Daarin zitten Michel, Jeanine Broens en Paul Becue. Ze heeft vooral tot doel de communicatie tussen de diverse VVA-afdelingen en -leden te bevorderen. Een eerste project dat op stapel staat is de vernieuwing van de website. Naast de website van VVA-Nationaal, krijgt elke afdeling ook haar eigen gelijkvormige site die ze vrij, op eigen initiatief en met eenvoudige technieken kan invullen en bijhouden.  Er komt zo meer uniformiteit. Deze websites zullen ook aantrekkelijker worden met een nieuwe layout en gebruik van de nieuwste webdesign-technologie.

Daarop volgend zal ook de Facebook-pagina herwerkt worden. Nu is dit een gesloten groepspagina, maar de bedoeling is daar een open pagina van te maken. Iedereen, ook niet VVA-leden, kunnen die pagina dan consulteren.  We krijgen hierbij nog de ondersteuning van Ghislain Duchateau, die in het verleden de communicatie verzorgde.

De verdiensten van Ghislain voor de VVA-communicatie zijn enorm. Gedurende ruim 7 jaar heeft hij zowel de website, de E-zine als de Facebookpagina voor VVA nationaal beheerd en naar een eigentijdse communicatie geleid. Hij heeft ervoor gekozen om op een bepaalde leeftijd deze grote taak over te dragen en alzo de continuïteit te verzekeren. Bij deze wil ik Ghislain uitdrukkelijk bedanken voor zijn jarenlange inzet.

We haalden het reeds aan, maar sinds september is er ook een nieuw hoofdbestuur met enkele nieuwe gezichten. U kan de samenstelling hieronder zien. We danken reeds iedereen voor zijn engagement en hopen dat de VVA met hun hulp verder kan evolueren tot een bloeiende vereniging, eigentijds en van de 21ste eeuw.

Tot slot wensen we U allen nog veel goede moed toe gedurende deze moeilijke wintermaanden en verzorg U allen goed.

Met vriendelijke groeten,

Paul Becue, voorzitter
Jeanine Broens, ondervoorzitster
Michel Vanbuul, communicatieverantwoordelijke

Samenstelling nieuw hoofdbestuur VVA

Paul Becue, voorzitter
Jeanine Broens, eerste ondervoorzitster
Bruno Comer, tweede ondervoorzitter
Theo De Decker, secretaris
Jan De Graeve, penningmeester
Hubert De Saedeleer, coördinator academische zitting Algemene Ledendag
Michel Vanbuul, communicatieverantwoordelijke
Marc Van Dongen, vertegenwoordiger VVA bij OVV (Overlegcentrum Vlaamse Verenigingen)
Ghislain Duchateau, coördinator (ad interim) Werkgroep Taal & Onderwijs

 


 

Omhoog

 

Over lockdown, anderhalvemetereconomie en toogvirologen: wat doet corona met onze taal?

dr. Godelieve Laureys, professor emeritus aan de UGent en algemeen voorzitter van de Orde van de Prince.

Zij publiceerde dit artikel in het tijdschrift van de Orde van de Prince


   
 

In de luttele tijdspanne van drie maanden heeft het coronavirus de wereld flink door elkaar geschud en onze levensgewoonten drastisch gewijzigd. Het virus slorpt alle aandacht op en beheerst ons dagelijkse leven. Gemeten aan het aantal radio- en televisie-uitzendingen dat alleen maar over corona-gerelateerde onderwerpen gaat, zijn we monomaan bezig met deze epidemie. Wat doet dat met een mens en zijn gedachtegoed en wat doet dat met een taal?

Nieuwe communicatie.

Het is evident dat een nieuw en veelbesproken fenomeen niet alleen nieuwe woorden met zich meebrengt, maar ook een heel nieuw discours op gang brengt. Tal van nieuwe ervaringen, emoties, vragen, probleemanalyses en oplossingsvoorstellen willen we onder woorden brengen en duiden. Wat ons mentaal preoccupeert, willen we graag delen met anderen en daar hebben we altijd verhalen bij nodig. Vertellen heeft een helende functie. Of zoals het oude spreekwoord zegt: waar het hart van vol is, daar loopt de mond van over.

In deze tijden waar fysieke contacten gebannen worden, wordt dit nog versterkt: we bellen, mailen, tweeten, zoomen en beeldvergaderen er met zijn allen op los en heel wat mensen zitten uren op sociale media. Ook de overheid heeft dagelijks nieuwe boodschappen en mededelingen voor ons in petto en wil ons met woorden overtuigen van de noodzaak van nieuwe gedragsregels.

Nieuwe taal.

Her en der lezen we in de pers artikelen die waarschuwen voor een nieuwe golf van Engelse leenwoorden. De metaforen om op dit gevaar te wijzen liggen voor de hand en worden er soms dik opgesmeerd: het Engels "tast onze taal aan", leenwoorden zijn "besmettelijke indringers". Er is een "virale verspreiding van Engelse woorden", of een "epidemisch effect dat onze taal dreigt te verstikken". Het is onmiskenbaar juist dat we een aantal nieuwe Engelse woorden in onze taal aantreffen. Koplopers zijn "social distance/ distancing" en "lockdown", maar ook woorden als "testing and tracing", "contact tracers", "flatten the curve", "exit strategy", "outbreak management", "preteaching", "corona coach" en "zoomsessions" tieren welig.

Het Nederlands staat daar trouwens niet alleen. Probeer maar eens te luisteren naar een nieuwsuitzending in het Tsjechisch, Deens of Japans en je zal merken dat je heel wat begrijpt "dankzij" de Engelse leenwoorden, die ook in deze talen gretig zijn overgenomen.
Het ligt voor de hand dat juist in het geval van een pandemie de terminologie sterk wordt aangestuurd door de internationale onderzoeksgemeenschap en door de WHO (de Wereld Gezondheidsorganisatie) en dat het Engels de maat zet.

Wordt het Engels de "lingua Franca"?

De coronacrisis is een globaal gegeven en het Engels vervult hier echt wel een rol als lingua franca in de letterlijke zin van het woord, een grensoverschrijdende taal, die taalgemeenschappen verbindt en de internationale communicatie faciliteert. Hier is mijns inziens geen sprake van taalimperialisme. Persoonlijk kan ik me eerlijk gezegd niet opwinden over een paar nieuwe Engelse leenwoorden te midden van alle medische en sociale ellende. Dan erger ik me meer aan de journalisten en geïnterviewden die om de haverklap "by the way", "to say the least", "first things first" of "from scratch" als stopwoorden uitkramen.

Als taalkundige wil ik ook het gevaar van Engelse leenwoorden relativeren. Op jacht gaan naar overbodige Engelse woorden en die bij individuele mensen opsporen is meer een sport dan een heilzame maatschappelijke bezigheid. Dit ligt helemaal anders dan de strijd tegen verengelsing van het hoger onderwijs bijvoorbeeld. Ingeval van leenwoorden gaat het immers niet om domeinverlies van de taal en is er eigenlijk geen overwegende bedreiging van statusverlies. Natuurlijk moeten we erop alert zijn dat Engelse leenwoorden niet de overhand nemen en daardoor de inventiviteit van de eigen taal om nieuwe woorden te creëren of nieuwe betekenissen "in te laden" in bestaande woorden niet onder druk zetten. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat heel veel Engelse leenwoorden in diverse talen eendagsvliegen zijn of toch een kort leven beschoren zijn. Elke telling is een momentopname, maar veel Engels woordmateriaal komt en gaat snel, verdwijnt of varieert.

Inventiviteit van de Nederlandse taal.

Wel is het zaak dat we voor de nieuwe leenwoorden die ertoe doen, zo snel mogelijk Nederlandse equivalenten verzinnen en daar ook actief gebruik van maken. Taalgebruik is en blijft "bewegen en zoeken naar uitdrukkingen voor nieuwe begrippen en inhouden", die in de huidige situatie niet alleen de lading moeten dekken, maar ook de juiste gevoelswaarde hebben. Voor "lockdown" zijn er al heel wat Nederlandse vervangwoorden gelanceerd, zoals "ophokplicht", "vergrendeling", "thuisisolatie", "stillegging" en "land op slot". Welk woord dekt de lading het best? Welk woord gaat het winnen? We kunnen dit echt niet van boven af opleggen. We kunnen alleen maar Nederlandse equivalenten ingang doen vinden door ze zelf te gebruiken. Dat "anderhalvemetereconomie" het "nieuwe normaal" wordt de volgende jaren, toont toch ook dat we al aardig op weg zijn. "Huidhonger", "hoestschaamte", "zwaaibezoek", "raamvisite", "stoepverjaardag", "quarantainebubbel" en "druppelcontact" zijn woorden waar we ons drie maanden geleden helemaal niets bij konden voorstellen, maar die nu duidelijke signalen zijn van de impact van het virus. Ik vind zelf "aanlooplessen" en "aanloopleren" beter dan "preteaching", omdat ze de focus leggen bij de leerder (de leerling) en niet bij de leraar. Er zijn ook ludieke nieuwe aanwinsten zoals "onthamsteren", "toogviroloog", "zoomapero", "coronahufter" en de beruchte "lockdownfeestjes".

Het is dus veel interessanter te kijken naar de inventiviteit van de Nederlandse taal. Wisten jullie trouwens dat er een coronawoordenboek lopend wordt samengesteld? Dat onlinewoordenboek wordt dagelijks aangevuld door de hoofdredactie van Van Dale en omvat nu bijna 800 woorden. Dat komt ook doordat het Nederlands een taal is die aan de lopende band samenstellingen kan produceren. Dat is een heel handig en efficiënt mechanisme: "coronacrisis", "coronamaatregelen", "coronatijdperk", "coronabelasting", "coronavaccin", "coronabehandeling", "coronageneratie", enzovoorts. Deze woorden zijn nieuw, maar worden meteen begrepen en zijn heel transparant.

Vermeldenswaard is ook dat heel wat bestaande Nederlandse woorden en uitdrukkingen plots veel frequenter gebruikt worden. De titel van mijn eerste flashbericht voor onze website midden maart luidde "Een hart onder de riem". Ik dacht toen dat ik een originele uitdrukking had uitgekozen… Maar die uitdrukking piekt sindsdien (zonder causaal verband overigens!). Hetzelfde geldt voor uitdrukkingen als "roet in het eten gooien" en "lelijk huishouden", die we vaak in de coronacontext (pats!) tegenkomen. Om het maar niet te hebben over de slagzin "blijf in uw kot", die in Vlaanderen een nieuw en lang leven beschoren is en bulkt van de connotaties. 

Nog weer een vorm van taalverandering is dat sommige Nederlandse woorden die tot nog toe vooral vakjargon waren, stilaan deel gaan uitmaken van de gewone omgangstaal. Denken we maar aan "pandemie", "oversterfte", "ondersterfte", "mondkapjes", "beademingstoestel", "triagecentrum", "zelfisolatie" en "quarantaine".
Men staat er soms van versteld hoe mensen over talige processen denken.

Taal is een evolutief proces.

Daarom wilde ik in dit Woordje graag wat nader ingaan op de wetmatigheden van taalgebruik en taalverandering. Ik wilde daarbij het belang van het goed bewaken van taalverandering onderstrepen, maar evenzeer afstand nemen van paniek rond wijzigingen in de taal en ook de impact van leenwoorden relativeren. Het taalgebruik en met name het ontstaan van nieuwe woorden in het Nederlands wordt overigens goed gemonitord (excusez le mot!) door het Instituut voor de Nederlandse taal (INT) en de Taalunie. Ook het genootschap Onze Taal is hier zeer actief, onder andere met de digitale nieuwsbrief "Taalpost".

Een belangrijk punt van taalzorg is dat we binnen ons taalgebied zouden proberen om dezelfde termen te gebruiken in Nederland en Vlaanderen. We delen de problemen en we kunnen dus het beste ook de woorden delen om die problemen te benoemen, zodat we misschien in de toekomst, spijts alle socioculturele verschillen binnen de Lage landen, ook beter samen aan oplossingen kunnen werken voor het "nieuwe normaal". Makkelijk zal dat niet zijn, want de globale coronacrisis heeft het averechtse effect dat de nationale reflex in heel wat landen verscherpt is.

De bestrijding van de coronacrisis lijkt bijna een nationaal project. De grenzen zijn gesloten en Nederland oriënteert zich momenteel sterker op Duitsland dan op België. Maar we moeten ervoor blijven ijveren dat er geen tweespalt in de taal ontstaat. 
 
prof.em. dr. Godelieve Laureys

Algemeen voorzitter Orde van de Prince

 

 

 

  Omhoog
 


Overwinnen we ooit het Coronavirus?

Filip Lardon is fysioloog aan de UAntwerpen en gaf volgende lezing op "Universiteit Vlaanderen", een reeks op Eén.

a  
 

Het coronavirus hoeft waarschijnlijk geen introductie meer. Mochten ze ooit een film maken over het jaar 2020, zal dat kleine onding ongetwijfeld de superschurk spelen. We kunnen alleen maar hopen dat we in 2021 geen sequel voorgeschoteld krijgen. Hoe kunnen we dat in godsnaam vermijden? Filip Lardon is fysioloog aan de UAntwerpen en hij laat de blauwdruk van het meesterplan zien.

 

 

 

  Omhoog
 


De herfst is het wreedste seizoen

Covid-19 volgt het patroon van de Spaanse griep van 1918. Die begon ook in het voorjaar en werd in de herfst gevolgd door een tweede, veel ergere, golf. Daarna was er nog een derde.

Marc Reynebeau

De Standaard 2 november 2020



   
 

De herfst is het wreedste seizoen.
Covid-19 volgt het patroon van de Spaanse griep van 1918. Die begon ook in het voorjaar en werd in de herfst gevolgd door een tweede, veel ergere, golf. Daarna was er nog een derde.


Een beeld (van vermoedelijk eind 1918) uit San-Francisco. Om de verspreiding van het griepvirus tegen te gaan, werden de militaire slaapplaatsen afgeschermd. Links aan de muur een oproep: ‘Spuw niet op de vloer, want dat kan ziektes verspreiden.’ (US Naval History and Heritage Command )

Toen een eeuw geleden, bij het einde van de Eerste Wereldoorlog, een grieppandemie uitbrak, kon niemand voorspellen dat ze naar schatting wereldwijd 20 tot 100 miljoen levens zou eisen, bij wie 30.000 tot 80.000 Belgen. Ze werd de Spaanse griep genoemd, al had ze alles te maken met de ontberingen van de oorlog en niets met het toen neutrale Spanje. Franse en Britse overheden minimaliseerden de ramp zelfs: ze konden er weinig aan doen en vreesden dat de ziekte het patriottisme kon ondermijnen. Het virus nestelde zich in de door oorlog en honger verzwakte bevolking, rondtrekkende legers en vluchtelingen­stromen verspreidden het.

Elke epidemie verloopt anders, al was het maar door de aard van het virus en hoe ze wordt aangepakt. Dat maakt vergelijken lastig, zeker omdat het griepvirus in 1918, anders dan het coronavirus nu, snel muteerde. Toch zijn de parallellen leerrijk. Twee lessen tekenen zich af:
Eén: snel, drastisch en consequent ingrijpen is nodig om het virus geen kans te geven.
Twee: het profiel van de zieken evolueert. Een specifieke groep brengt het virus binnen: in 1918 waren dat de soldaten, nu de reizende middenklasse (de skiërs van februari, de strandtoeristen van augustus). Nadien tast de ziekte arme, dichtbevolkte buurten aan; ze slaat er het hardst toe omdat mensen er het minst tegen bestand zijn.

Daar moeten overheden een aparte aanpak voor uitwerken, maar in de coronacrisis namen veel landen die twee lessen weinig ernstig.
In België dook de ziekte in april 1918 op, al toonde ze zich pas in juni en juli in hogere sterftecijfers. Ze trof, anders dan covid-19, vooral jongeren. Ouderen leken door eerdere epidemieën immuun te zijn. Het duurde even voor de pandemie werd opgemerkt. Dat lag aan de tijd. De bezetting en de censuur van kranten en brieven hinderden het delen van informatie, medici wisten nog niet wat een virus was en tegen de longontstekingen die ze uitlokten bestonden nog geen antibiotica.

Complotdenkers legden de schuld bij losbandige vrouwen, communisten of een Duits bacteriologisch wapen.
Wellicht brachten Amerikaanse troepen het virus vanaf 1917 naar de fronten in Europa. Het drong België binnen via West-Vlaanderen en Henegouwen, verspreidde zich noordelijk richting Brabant en Antwerpen, en vandaar naar de rest van het land. Toch was de neiging groot om de ziekte te onderschatten. Wie van complicaties gespaard bleef, was er vaak al na enkele dagen van af. De overheid, vooral de lokale besturen, begrepen dat het besmettingsgevaar het grootst was bij jongeren. Zieke soldaten werden geïsoleerd, gemeenten sloten de scholen. Onder meer rouwstoeten werden verboden.

In augustus leek het ergste al voorbij. Maar het virus bleef rondwaren, muteerde en barstte in oktober uit in een tweede golf, die tot eind 1918 aanhield. Het werd een dodelijke herfst. Maar net als nu aarzelden de overheden. De eerste golf liep relatief goed af, zodat de veel dodelijkere tweede golf aanvankelijk ernstig werd onderschat. En hij kwam op een moment dat veel mensen in beweging waren: de evacuatie van het Duitse leger, de intrede van de bevrijdingstroepen en vervolgens de terugkeer van gedemobiliseerde soldaten.

Leuvense universiteit dicht

Begin november telde Luik 28.000 ziektegevallen. Marche-en-Famenne had op 19 oktober 500 zieken, twee dagen later dubbel zoveel. Het sterftecijfer was hoog, weer vooral bij jongvolwassenen. In Nijvel lag de dodentol in oktober vijftien keer ­hoger dan in september.

Leuven telde 58 doden in augustus, 190 in november.
https://static.standaard.be/Assets/Images_Upload/2020/11/02/6575be42-1c52-11eb-86ac-facf7bc8a3b0.jpg?width=512&format=jpgLokale besturen stonden er alleen voor. Ze sloten scholen, circussen, bioscopen en spektakelzalen, verboden publieke manifestaties, raadden isolering en goede verluchting aan, de Leuvense universiteit ging dicht. Maar het gebeurde inconsistent en ongeco­ördineerd. De gemeente Sint-Joost-ten-Node vreesde besmettingen in de tram en de musichalls, maar koos niet voor een verbod, alleen voor ontrading.

Bij de bevrijding begin november beperkte de teruggekeerde Belgische regering zich ook tot adviezen, vooral om te des­infecteren. Ondertussen leidden complotdenkers de aandacht af door de schuld te leggen bij communisten, losbandige vrouwen of een Duits bacteriologisch wapen.

Eind 1918 verzwakte het griepvirus, wat het niet belette om enkele weken later weer aan kracht te winnen en in januari-maart 1919 een derde golf uit te lokken, al kende die een geringere intensiteit, waarna het virus voorgoed verdween. Dat was in België zo en hetzelfde patroon is ook te zien in Groot-Brittannië, waar het cijfermatig beter gedocumenteerd is (zie grafiek).

De oorlog en het gebrek aan medische ervaring beletten in 1918-’19 dat de pandemie efficiënt werd aangepakt, stelt historicus Benjamin Brulard in zijn masterscriptie (UCL, 2018). Dat excuus kan onze tijd niet inroepen. Les drie: de pandemie is pas voorbij als het virus helemaal terugdrongen is.

Meer info:
Verschenen op maandag 2 november 2020 in De Standaard


 

 

Klik op deze affiche uit 1918 om een korte beeldreportage van de Spaanse griep in 1918 te bekijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  Omhoog
 

Hoe de coronacrisis de veerkracht van onze economie en samenleving kan versterken

Corona is/was in de eerste plaats een gezondheidscrisis, dat spreekt voor zich. Maar iedereen weet dat deze crisis ook gevolgen zal hebben voor onze economie en overheidsfinanciën. En dat terwijl de samenleving door elkaar geschud is en we in domeinen als gezondheidszorg, onderwijs, risicobeheer, markt versus overheid, big tech en efficiënt overheidsbeleid flink wat lessen hebben te leren.  

Professor Johan Albrecht is professor economie aan de Universiteit Gent en senior fellow bij het Itinera Institute. Hij is auteur van zeven boeken en meer dan veertig publicaties in internationale tijdschriften en verzamelwerken.  

Hij blikt in dit visionaire boek vooruit op hoe het coronavirus als een gamechanger kan fungeren om een en ander essentieel te veranderen in ons land. Onder het motto ‘never let a good crisis go to a waste’ pleit hij ervoor om van deze shock een opportuniteit te maken. Met al 20 jaar van de 21ste eeuw achter ons, moeten we afscheid nemen van de recepten van de 20ste. Daadkracht, verantwoordelijkheidszin, efficiëntie, leiderschap en het mobiliseren van al onze talenten zullen nodig zijn.

Paul Becue, algemeen voorzitter van VVA, heeft onderstaande recensie geschreven over dit boek.


 

 

Coronashock: een eerste volledige analyse

De ‘lockdown’ is nog maar juist grotendeels opgeheven, of daar is al het eerste boek over de Coronacrisis en haar gevolgen. In zijn boek Coronashock kijkt de auteur Johan Aelbrecht vooruit op hoe covid-19 een ‘game-changer’ kan zijn voor ons land en de wereld. 

Johan Aelbrecht

Johan Aelbrecht is milieueconoom aan de Universiteit van Gent en senior fellow aan het Itinera Instituut. Hij is vooral gekend door zijn onderzoek naar het energie- en klimaatbeleid en dit laatste kan hij moeilijk verstoppen in zijn nieuwe boek de Coronashock.

Moeilijke prognoses

De Coronacrisis wordt gezien als een gelegenheid om tal van kwalen waarmee de mensheid en ons land te kampen heeft aan te pakken. Vroeger ontbrak het de beleidsmakers dikwijls aan de nodige moed, maar men koestert de hoop dat dit nu zou kunnen veranderen. En dit op diverse vlakken: fiscaliteit, mobiliteit, onderwijs, digitalisatie, gezondere levensstijl, … In het laatste hoofdstuk worden alle ideeën die naar voren kwamen nog eens allemaal opgesomd.  We geven enkele van de meest interessante ideeën aan. De rode draad is steeds de wil om de duurzaamheid en veerkracht van de samenleving en de economie te verhogen. Ook komt er regelmatig een spanningsveld naar voren tussen wat de markt kan doen en welke de taak is van de overheid. Een zware overheidsstructuur moet zeker vermeden worden. Indien het relevant is wordt ook verwezen naar wat er gebeurt in het buitenland en dan vnl. in onze buurlanden.
Anderzijds is de impact van de ‘lockdown’ en het Coronavirus moeilijk te voorspellen, vooral op economisch vlak. Zo stelt de auteur dat de ‘lockdown’ een uniek sociaal experiment is, maar dat we de werkelijke impact ervan op het consumentengedrag vandaag niet kunnen inschatten. Zeker is wel dat het voor vele gezinnen tot gedwongen besparingen zal leiden, maar het valt nog af te wachten in welke mate.

Capaciteit ecosysteem

Iedereen zal zich nog herinneren dat de directe aanleiding voor de ‘lockdown’ half maart werd aangetoond door een dubbele grafiek. De eerste toonde aan dat zonder beschermende maatregelen er een plotse sterke toevloed van zieken is. Bij meer zieken dan bedden kan een deel van de patiënten niet verzorgd worden, waardoor de mortaliteit fors toeneemt. Om zo’n catastrofe te vermijden moest de curve van het aantal besmettingen afgevlakt worden tot onder de capaciteit van de (Belgische) gezondheidszorg (de tweede curve). De besmettingsperiode duurt dan wel wat langer.
Diezelfde curves worden echter ook gebruikt om ecologische maatregelen te motiveren. Zoals de ziekenhuizen heeft ook het ecosysteem een vastliggende capaciteit. Het kan heel  wat vervuiling absorberen, maar die capaciteit is begrensd. Als we verder gaan met  ‘business as usual’, gaat de ecologische curve sterk boven de capaciteit van het ecosysteem, met alle klimaatrisico’s van dien. Het komt er dus op aan om door een duurzame economische politiek deze ecologische curve af te vlakken zodat de top ervan binnen de capaciteit van het ecosysteem blijft. De meeste analyses stellen immers dat het koolstofbudget van de aarde helemaal opgebruikt is in de periode van 1928 tot 2035. Daarna moet de jaarlijkse uitstoot heel radicaal dalen om een sterke klimaatverandering te vermijden.   

Supply chain

Tijdens de Coronacrisis kwam de klassieke ‘supply chain’ onder druk te staan. Producten konden hier niet meer afgewerkt worden omdat bepaalde onderdelen van de aanvoerketting in het buitenland (bv. China) niet meer geproduceerd werden.  Ook leidde de pandemie in de wereld tot een forse toename van de vraag naar beschermmateriaal zoals mondmaskers, waarbij het aanbod niet kon volgen. In verband hiermee worden twee interessante ideeën aangebracht in het boek.

Flexibele productiecapaciteit

De bevoorradingszekerheid kan worden verhoogd door ervoor te zorgen dat binnen onze grenzen altijd flexibele productiecapaciteit kan worden aangesproken. Dit is mogelijk wegens de flexibilteit van de allernieuwste robots en productietechnologieën. Zo zou je bv. de productie van sanitair materiaal of koffiefilters heel snel kunnen omschakelen voor die van mondmaskers. Via een tenderprocedure kan een flexibele en kostenefficiënte productiecapaciteit voor cruciale producten, zoals beschermend materiaal, altijd worden gegarandeerd. De afspraken binnen die tenders moeten wel periodiek getest worden om deze capaciteit te vrijwaren wanneer het echt nodig is. Daar krijgt men dan wel een compensatie voor. De auteur verwijst bv. naar de capaciteitsvergoedingen voor de strategische reserves bij de productie van elektriciteit. Indien de overheid dit niet kan realiseren faalt ze.

Levenscyclusanalyse

Misschien zorgt het Coronavirus voor de integratie van de ‘supply chain’ in de Green Deal van de Europese Unie, bv. door de fiscaliteit te laten afhangen van de levenscyclusanalyses. Zo denkt men in Europa erover na om delen van de ‘supply chain’ te decarboniseren, bv. met een compenserende CO2-heffing aan de Europese buitengrenzen. Wanneer Europese bedrijven staal of onderdelen importeren uit regio’s zonder een ambitieus klimaatbeleid kan zo’n heffing druk uitoefenen op die handelspartners. Probleem is wel dat Europa geen duidelijke kijk heeft op alle productieprocessen wereldwijd.

Beleidsniveaus in België

De vraag wordt gesteld hoeveel beleidslagen een land aankan. Bovenaan is er natuurlijk de Europese beleidslaag. Het Coronavirus veroverde Europa, maar de Europese Unie keek toe vanaf de zijlijn. Er werd op dit niveau in het verleden nooit gekozen voor een Europees gezondheidsbeleid of een Europees beleid voor pandemierisico’s. Wanneer een reactie op dreigingen moeilijk blijkt te zijn, is het nuttig om de institutionele beleidsarchitectuur in vraag te stellen.
Dit laatste geldt zeker voor België, dat op het ogenblik grossiert in beleidslagen: nationaal/federaal, regionaal, provinciaal en lokaal (steden en gemeenten). Ons land heeft daardoor een beperkt reactievermogen. Om hieruit te geraken worden twee opties voorgesteld waarvan de realisatie elk vele jaren en energie zal vergen:

-De eerste koppelt een nationale beleidslaag aan het lokale beleid en er wordt gewerkt met agentschappen. Door de eenvoud zijn er geen overlegorganen meer nodig en de regio’s en provincies verdwijnen. Er ontstaat een bundeling van expertise, talent en middelen doordat iedereen nu werkt op nationaal of lokaal niveau.

-Bij de tweede optie blijft België als land bestaan, maar er is geen nationale regering meer. Er zijn alleen nog de regio’s en lokale besturen. Er zijn meer agentschappen, die in bepaalde gevallen nationaal georganiseerd zijn, zoals bv. voor defensie.

De auteur gelooft sterk in de kracht van het lokale bestuur, dat in de beide opties behouden blijft. In het verleden werden veel bevoegdheden getransfereerd naar het nationale niveau. Onderzoek toont echter aan dat de lokale verbondenheid leidt tot minder bezwaar tegen hogere belastingen als ze goed gemotiveerd zijn. Toegepast op de Coronacrisis kan een sterk lokaal bestuur gebruikmaken van bestaande netwerken om hulp te coördineren voor bv. alleenstaande ouderen.

Engagement

De Coronacrisis verhoogt de staatsschuld en maakt een verhoging van de productiviteit nog urgenter. Dit laatste kan eventueel verkregen worden door een verbetering van de kwaliteit van het onderwijs, technologisch onderzoek, ... Maar volgens de auteur heeft een verhoging van het engagement der werknemers de grootste impact. Amper 10 procent van de Belgische werknemers is echt geëngageerd enthousiast, terwijl 73 % onverschillig is. De overige 17 % is zelfs obstructief. Nochtans is het bewezen dat bedrijven met geëngageerde werknemers 17 procent productiever zijn dan bedrijven waar het engagement van de werknemers laag is. De rendabiliteit van deze bedrijven is 21 % hoger en er is 41 % minder absenteïsme. Voorwaarde is wel dat de onderneming of organisatie een ambitieuze strategie op maat ontwikkelt waarbij men inzet op menselijk kapitaal.

Conclusie

Het boek brengt de uitdagingen die de Coronacrisis met zich meebrengt in kaart. Men wil daarbij deze crisis zien als een opportuniteit en instrument om de broodnodige maatschappelijke veranderingen in beweging te brengen die noodwendig zijn om ons land de nodige veerkracht te bezorgen en te evolueren naar een duurzame economie.
Het boek heeft zeker niet de pretentie om alles te voorzien: men erkent dat dit niet mogelijk is. Maar het brengt wel een genuanceerde visie van de uitdagingen die ons te wachten staan en de mogelijke oplossingen. Men gaat daarbij verder dan de Coronacrisis zelf en plaatst het in een breed kader. Sommige oplossingen zijn creatief en ‘out of the box’, zoals we er enkele aangegeven hebben. Het boek draagt dus zeker tot een verruiming van de geest bij de lezer.

Paul Becue, algemeen voorzitter VVA

 

 

 

 


  Omhoog
 

Verenigingsleven verdient steun in moeilijke Coronatijden

Johan Van Gompel in KBC Economische Opinies


 
 

 

De impact van de coronacrisis laat zich ook sterk voelen in het Belgische verenigingsleven. Heel wat activiteiten konden en kunnen nog altijd niet plaatsvinden en dat heeft voor de verenigingen vaak zware operationele en financiële gevolgen. Verenigingen zijn traditioneel een belangrijke steunpilaar voor het maatschappelijke en ook economische weefsel. Daarom verdienen zij de nodige overheidssteun om op korte termijn het hoofd boven water te houden. De coronacrisis vereist van verenigingen en hun koepels evenwel dat ook zij zelf nadenken over hoe ze zich meer weerbaar en future proof kunnen maken. Dat impliceert onder meer de zoektocht naar alternatieve, haalbare verdienmodellen.

Covid-19 hakt sinds maart zwaar in op het sociaaleconomische leven. De aandacht gaat daarbij in eerste instantie naar de impact van de crisis op de economische activiteit en op specifiek getroffen sectoren (horeca, evenementen,...) en groepen in de samenleving (mensen die hun job verliezen, kinderen die leerachterstand dreigen op te lopen,...). De coronacrisis heeft ruimer gezien evenwel ook grote impact op de manier waarop burgers met elkaar (kunnen) omgaan in de publieke ruimte (de civil society). Naast de relaties met de brede familie en vrienden, gaat het hier om een veelheid aan verenigingen die vaak een belangrijke sociaaleconomische rol vervullen.

Sterk uitgebouwd verenigingsleven

België is steeds rijk geweest aan een bloeiend verenigingsleven. Cijfers voor het ganse land zijn niet beschikbaar. Uit de jaarlijkse SCV-survey (Sociaal-Culturele Verschuivingen) in Vlaanderen blijkt dat de participatie en het engagement in verenigingen vrij stabiel blijft doorheen de tijd. De voorbije 15 jaar was ruim de helft van de Vlamingen op leeftijd 18-75 jaar actief lid van een vereniging, een kwart van minstens twee verenigingen. In totaal zijn er in Vlaanderen meer dan 45.000 geregistreerde verenigingen. Iets meer dan de helft zijn sportclubs (een kwart van de bevolking is daar lid van), ruim een kwart zijn sociaal- culturele of ontspanningsverenigingen (zoals hobby-, kunst-, natuurverenigingen, serviceclubs of doelgroepenverenigingen voor gepensioneerden, vrouwen, ouders, buurten,...). De bijna 2.500 lokale jeugdbewegingen in Vlaanderen (chiro, scouts, KSA, KLJ,...) vormen een specifieke grote groep met in totaal ruim 250.000 leden.
Een gezond sociaaleconomisch weefsel heeft een sterk verenigingsleven nodig. Volgens sociologisch en economisch onderzoek zijn er drie belangrijke positieve invloeden. Ten eerste bestaat er een verband tussen een robuust verenigingsleven en een goed functionerende democratie, doordat sociale cohesie en maatschappelijk engagement en vertrouwen erdoor worden gestimuleerd. Lid zijn van een vereniging zorgt ervoor dat mensen minder individualistisch en etnocentrisch zijn ingesteld. Dat voedt verdraagzaamheid en wederzijdse steun in de samenleving en creëert gezamenlijke waarden en normen. Ten tweede blijkt dat mensen die actief zijn in een vereniging positiever staan in het leven en meer tevreden zijn over hun vrije tijd. Dat komt door de sociale voordelen in de vorm van zingeving, psychisch welbevinden, gezelligheid en betrokkenheid. Verenigingen zijn daarom een goed medicijn tegen problemen als vereenzaming of depressies.
Ten derde hebben verenigingen naast hun maatschappelijk belang ook een belangrijke plaats in en invloed op het economische leven. Als onderdeel van de non-profitsector en sociale economie stellen zij heel wat mensen tewerk, vooral onder de vorm van vzw’s. Volgens de Koning Boudewijnstichting hadden 10.688 verenigingen in België eind 2017 bijna 330.000 loontrekkenden in dienst. Uit een studie van de stichting uit 2005 blijkt dat de economische toegevoegde waarde van het verenigingsleven in België vergelijkbaar zou zijn met die van de bouwsector. Los van de directe impact blijkt ook het sociale kapitaal waarvoor het verenigingsleven zorgt een voorname factor te zijn voor economische groei. Sociaal kapitaal werkt immers efficiëntieverhogend door het grotere vertrouwen, het bestaan van netwerken en de betere communicatie en verspreiding van informatie.

Financiële problemen

Door de coronacrisis is ook een groot deel van het verenigingsleven in België stilgevallen. Agenda’s vol met activiteiten werden met de grove borstel leeggemaakt. Ongetwijfeld komen vele verenigingen hierdoor financieel in moeilijk vaarwater terecht. Veel verenigingen halen hun inkomsten, naast lidgelden, overheidssubsidies en giften, uit commerciële of andere activiteiten (drankverkoop, kwisavonden, huis-aan-huis-verkopen, fuiven, optredens en dergelijke) en zien die nu als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ook hun sponsoring door bedrijven zal mogelijk verminderen omdat die hun financiële prioriteiten nu elders moeten leggen.
Uit een periodieke peiling van Ipsos en Idea Consult blijkt dat de voorbije jaren reeds één à twee op tien verenigingen met financiële problemen te kampen hadden. Slechts een kwart zou een buffer hebben om het langer dan zes maanden vol te houden als de courante inkomsten plots zouden wegvallen. Eén op drie heeft helemaal geen financiële reserves. De huidige crisis dreigt nu voor veel verenigingen de doodsteek te betekenen. Sinds de hervorming van het vennootschapsrecht worden ook vzw’s aanzien als ondernemingen. Het voordeel is dat zij hierdoor een beroep kunnen doen op reddingsboeien die een insolventieprocedure biedt. Het slechte nieuws is dat zij voortaan ook failliet kunnen worden verklaard.

Steun en ook zichzelf future proof maken

De maatregelen van federale en regionale overheden om de gevolgen van Covid-19 op te vangen, gingen grotendeels aan de verenigingen voorbij. De Vlaamse regering stelde de steden en gemeenten wel éénmalig 87,3 miljoen euro ter beschikking om sport-, jeugd- en culturele verenigingen te ondersteunen. Die middelen kunnen de lokale overheden vrij naar keuze inzetten en zijn belangrijk om tijdelijk en op ad hoc-basis activiteiten van verenigingen extra zuurstof te geven (bijv. de kwijtschelding van de huur van sport- en vrijetijdsinfrastructuur). Om een duurzame werking te garanderen en perspectief te bieden op langere termijn is meer nodig. De relanceplannen die de overheden op poten zullen zetten om de gevolgen van de coronacrisis op te vangen, mogen het verenigingsleven niet over het hoofd zien. Gezien de sterke band met de horeca en culturele sector zal elke ondersteuning van het verenigingsleven overigens ook die zwaar getroffen economische sectoren indirect steun bieden.
Elke verdere steun wordt bij voorkeur vanop het lokale niveau gestuurd en mag gerust conditioneel zijn opdat zij maximaal zou renderen (bijv. werven nieuwe leden, zich openstellen voor kwetsbare groepen,...). Verenigingen mogen anderzijds ook niet te eenzijdig afhankelijk worden van de goodwill en steun van de overheid om hun werking op korte en langere termijn te garanderen. Belangrijk is dat verenigingen en hun bovenlokale koepels ook zelf goed nadenken over hoe ze zich optimaal organiseren en financieren. De coronacrisis stelt de uitdaging voor verenigingen om zichzelf weerbaar en future proof te maken op scherp. Dat vereist onder meer een zoektocht naar alternatieve, haalbare verdienmodellen. Een mooi voorbeeld in dat verband is het platform Trooper, een start-up ontstaan binnen de community Startit@KBC. Het principe daarvan is eenvoudig: telkens je via Trooper online koopt, vloeit er zo’n 5% van het aankoopbedrag naar een vereniging naar keuze, zonder dat het de koper iets kost. De voorbije drie jaar ging er via Trooperr al meer 2 miljoen euro naar zo’n 6.800 aangesloten verenigingen.
Het is erg belangrijk dat verenigingen ook in de toekomst hun maatschappelijke rol kunnen blijven spelen. Mensen met mensen in contact laten komen is een van de mooiste dingen in het leven. Het sociaal kapitaal dat ermee wordt opgebouwd is niet alleen bevorderlijk voor de cohesie in de samenleving maar legt ook mee de basis voor een sterke, duurzame economie.


 

 

Johan Van Gompel johan.vangompel@kbc.be



  Omhoog
   
 

VVA-Facebookpagina

Colofon

Redactie van het e-zine 'Vivat academia" Editie 21


Michel Vanbuul
samenstelling en eindredactie
lid hoofdbestuur VVA-Nationaal



Paul Becue
redactielid
voorzitter VVA-Nationaal

Jeanine Broens
redactielid
lid hoofdbestuur VVA-Nationaal


Afmelding

Wie deze nieuwsbrief liever niet ontvangt, kan zich afmelden met een berichtje naar het VVA-secretariaat